Mijn eerste mensen

Puppenleven
Het leven van een pup is zwaar. Echt waar. Mensen denken misschien dat we alleen maar schattig liggen te slapen en af en toe een beetje spelen, maar laat me je vertellen: het is een fulltime baan. Neem nou onze dagen in de zonovergoten serre van onze eerste mensen.
De ochtend begon altijd hetzelfde: wakker worden in een kluwen van broertjes en zusjes, waarbij je meestal een poot in je gezicht had of een staart in je oor. Dan kwam het moment – het geluid van de etensbakjes! Als een perfect getrainde roedel stormden we naar voren, alsof we een zeer belangrijke missie hadden. Eten. Snel. Voordat je broertje besloot dat hij óók nog uit jouw bak wil eten.
Na het ontbijt was het tijd voor serieuze zaken: spelen. Dit bestond uit elkaar bespringen, op elkaars oren kauwen, en wie het hardst kon rennen zonder om te vallen (wat meestal niet lukte). De serre was onze arena, en wij waren de kampioenen… Tot Togo verscheen.
Togo was de oude, wijze hond van onze eerste mensen. Hij kwam heel af en toe poolshoogte nemen, waarschijnlijk om te checken of wij al wat fatsoenlijk gedrag hadden geleerd (spoiler: nee). Hij stond in de deuropening, keek met een diepe zucht naar de chaos, en draaide zich dan met een blik van pure opluchting om.
Ik zou zweren dat ik hem hoorde denken: ‘Not my circus, not my monkeys!’ Een verstandige hond, die Togo.


Mijn mensen
Na al dat gespeel volgde de powernap. Overal lagen pups verspreid, als gevallen dominostenen. Slapen deden we in serieuze shifts: een paar minuten op je rug, dan draaien naar je zij, vervolgens met je hoofd op je zusje, en dan weer een nieuwe pose.
En zo ging de dag door: eten, spelen, slapen, herhalen. Soms nog een extra snack stelen of een verdwaald speeltje claimen als de jouwe. Een zwaar bestaan, maar iemand moest het doen.
En daar, in die zonovergoten serre, begon mijn avontuur. Want daar ontmoette ik de mensen die voor altijd mijn mensen zouden worden. Niet die van mijn broertjes en zusjes, maar echt mijn mensen. Ga er maar eens lekker voor zitten, want dan vertel ik jullie dat avontuur, een avontuur vol ontdekkingen, likjes en … kerstballen.
Het was koud buiten, maar binnen was het gezellig warm. De geur van iets lekkers hing in de lucht en overal fonkelden lichtjes. Mijn broertjes en zusjes en ik waren druk bezig met spelen in onze puppyren, toen er ineens twee nieuwe mensen binnenkwamen. Ik spitste mijn oren en bekeek ze eens aandachtig. Ze roken interessant, naar avontuur… en koekjes!


De vrouw kwam in onze puppyren zitten. Dat was een uitdaging! Wie zou als eerste bij haar zijn? Nou, ik natuurlijk! Met een sierlijke sprong (oké het was meer een wiebelige hobbel), landde ik recht voor haar en keek haar diep in de ogen. Ze lachte en aaide me zachtjes.
‘Dat is een snelle,’ hoorde ik iemand zeggen. Ja, natuurlijk ben ik dat! Maar voor ik kon gaan genieten van mijn overwinning, struikelden twee van mijn broertjes over me heen. Pats! Daar lag ik, onder een hoopje puppypoten en wiebelstaarten. Niet eerlijk! Maar goed, ik was nog steeds de eerste.
De man boog zich voorover en keek me aan. Hij had iets bijzonders: een glimmende, kale kop. Dat moest ik even onderzoeken. Zonder twijfel kwam ik naar hem toe en gaf hem een flinke lik over zijn hoofd. Hmmm… een interessante smaak! Iedereen lachte en ik voelde me direct thuis.
Maar toen gebeurde het. Het moment dat mijn ware kracht werd getest. Een glimmend, fonkelend object hing vlak boven mijn neus: een kerstbal! Hij wiebelde zachtjes, uitdagend, alsof hij mij riep. Ik kon het niet laten. Voorzichtig stak ik mijn poot uit… en BOEM! De kerstbal stuiterde op de grond, rolde weg en bracht een paar andere ballen in beweging. Chaos! Mijn broertjes en zusjes renden erachteraan, terwijl de mensen in lachen uitbarstten.
Ome John
Een paar dagen later kwamen mijn mensen terug. Maar dit keer namen ze iemand mee: een meneer die ze “ome John” noemden. Hij zou op mij gaan passen als mijn mensen aan het werk waren. Interessant! Ik moest hem eerst even goed inspecteren. Snuffel, snuffel… hmm, hij rook naar vriendelijke handen en misschien een beetje naar snoepjes. Veelbelovend!
Ik deed mijn best om een goede indruk te maken, maar net op dat moment struikelde er weer een van mijn broertjes over me heen. Plof! Daar lag ik weer, met mijn snuit in de deken en mijn staart in de lucht. Ome John lachte. “Dat wordt nog wat met deze dondersteen,” zei hij. Ja, ome John, dat wordt zeker wat!
Vanaf dat moment wist ik het zeker: dit waren mijn mensen. Ze hielden van lachen, avontuur en mijn speelse streken. En het beste van alles? Ze gaven de beste knuffels.
We namen afscheid van elkaar, want ik was nog niet zo oud dat ik met ze meemocht, maar ze beloofden dat ze me vaak zouden komen bezoeken, omdat ze toch heel erg dichtbij woonden. Nou daar zou ik ze zeker aan gaan houden! Reken maar van yes!




